Parasja Bo (“Kom”) is de 15e parasja in de Torah, genoemd naar een gebiedende wijs die ‘kom’ of ‘ga’ betekent, en beschrijft de laatste drie plagen die God over Egypte bracht om de farao te dwingen de Israëlieten uit de slavernij vrij te laten. Dit gedeelte omvat de instelling van het Pesachfeest, met specifieke instructies voor de Israëlieten over hoe zij hun huizen konden beschermen tegen de laatste plaag, de dood van de eerstgeborenen. Uiteindelijk geeft de farao toe, wat leidt tot de uittocht van de Israëlieten uit Egypte, een cruciaal moment van bevrijding en goddelijke tussenkomst.
Schriftgedeelten
Torah: Exodus 10:1-13:16 en Haftarah: Jeremia 46:13-28.
Artikelen
-
Wanneer het hart wordt gewogen
Parasha Bo toont de plagen als weegmomenten: onder toenemende druk wordt zichtbaar wat er al in het hart leeft—farao verhardt, terwijl Israël leert gehoorzaam te schuilen achter het teken van het bloed en klaar te staan voor de uittocht. Zo legt de tekst de vraag op tafel wat druk en confrontatie met waarheid in ons… Lees meer.
Audio
Bo, kom naar de Farao (Radio Israël, 23 Januari 2026)
In parasja Bo bereiken de plagen een keerpunt: ze onthullen wat er in het hart gebeurt. Farao verhardt, terwijl Israël leert gehoorzaam te zijn in kwetsbaarheid. Pesach laat tegelijk het hart van de Vader zien: redding, verlossing en uitleiding. Daarom is dit verhaal actueel: herkennen wij vandaag Zijn hand, en wat doen druk en confrontatie met ons hart?
Digital Humanities tools
Een (engelstalige) analyse van deze parasja met gebruik van digitale hulpmiddelen zoals SHEBANQ en Text-Fabric op basis van de Biblia Hebraica Stuttgartensia Amstelodamensis (BHSA)-dataset vindt u hier.

